1910 1973
1910
1973

De Vaart

De Boxmeerse Vaart is een eeuwenoude Heilig Bloedprocessie die ontstaan is in het jaar 1400.

"Pinksteren vroeg of Pinksteren laat, veertien dagen daarna trekt de Boxmeerse Vaart", zo luidt een eeuwenoud gezegde in Boxmeer.

1910

De oorsprong van ‘de Vaart’ gaat terug naar het jaar 1400. Een priester in Boxmeer twijfelde tijdens de eucharistieviering aan de transsubstantiatie, de omzetting van brood en wijn in het Lichaam en Bloed van Christus die tijdens de consecratie wordt herdacht. De wijn, zo wil het verhaal, borrelde toen over de rand van de kelk heen en kwam in de gedaante van bloed op een linnen doek onder de kelk terecht. Het Heilig Bloed stolde en er bleef een grote druppel achter. Dit altaar linnen, corporale genaamd, is sindsdien voorwerp van verering. In zijn 17e eeuwse reliekhouder wordt hij tijdens de Vaart meegedragen in een zilveren met platen rijk beslagen draagkist uit 1656 die is vervaardigd door een onbekende Boxmeerse of Nederrijnse zilversmid. Aanvankelijk was er geen aparte reliekhouder, maar was de eerste reliekschrijn uit 1482 tevens draagkist. Deze werd aan de Boxmeerse Vaart geschonken door D. Gerardus van Meer, kanunnik te Zutphen, getuige de inscriptie "D. Gerardus de Meer canonicus Zutphaniensis me fieri fecit et dedit. Anno 1482."

De verering van het Heilig Bloed komt in het midden van de 15e eeuw in Boxmeer op gang en rond 1450 wordt het Sacramentsgilde tevens naar het Heilig Bloed genoemd. In 1457 wordt een eerste Heilig Bloed altaar in de kerk ingewijd. In 1482 wordt een vergulde reliekschrijn geschonken door Johannes van Meer, kanunnik uit Zutphen. In 1507 wordt aan zeven personen ieder een stuiver uitbetaald als vergoeding vanwege het meelopen in de Boxmeerse Vaart. In 1508 wordt in archiefstukken melding gemaakt van de doortocht van de Heilig Bloedprocessie in Boxmeer. In 1583 wordt de kerk van Boxmeer door de troepen van Karel van Mansfeld geplunderd; veel archiefmateriaal gaat daarbij verloren. Vanaf 1582 is de reliek met de eerste reliekdraagkist elf jaar ondergebracht in het naburige Gennep. Bij gerechtelijke akte van 1618, opgemaakt door de schepenen van Boxmeer, wordt de Vaart herbevestigd en Jacobus a Castro, de Bisschop van Roermond, bevestigt – mede op instigatie van pastoor Peelen – in 1631 het Bloedwonder van Boxmeer. Graaf Albert van den Bergh uit Boxmeer schenkt in 1656 een zilveren rijk beslagen draagkist aan de Vaart.