Bert Breuer
Bert Breuer

Bert Breuer

OPGROEIEN ALS KIND TIJDENS DE TWEEDE WERELDOORLOG IN BOXMEER

Wat keken we in 1939 als kinderen op tegen die Nederlandse jongemannen in militaire uniformen, die onze geboorteplaats Boxmeer aan de Maas moesten verdedigen tegen de Duitse vijand. Omdat we bevriend waren met de zoontjes van sigarenfabrikant van Dartel, zaten we daar vaak na schooltijd in de oude fabriek, die als kazerne dienst deed. Argeloos speelden ook wij zelf dikwijls soldaatje!

Toen echter op 10 mei 1940 de oorlog echt uitbrak, heb ik (6 jaar) samen met mijn jongere broertje Hans (5 jaar) twee dagen lang bij het begin van onze straat op de stoep van café Ebben onze ogen uitgekeken naar de eindeloze colonnes Duitse militairen, die onder het zingen van Duitse krijgsliederen ons dorp binnen marcheerden. Vooral al dat rijdend oorlogstuig, maar ook de paarden met wagens waren voor ons een boeiend schouwspel zonder einde. We gunden ons nauwelijks de tijd om thuis een boterham te gaan eten. Op het einde van de tweede dag 11 mei kwam als laatste colonne achter de frontsoldaten het Rode Kruis. De ambulances parkeerden bij ons voor de deur in de Carmelietenstraat. Wij kregen twee Duitse dokters ingekwartierd, van wie er eentje Herr Fischer heette. Mijn moeder kon dankzij haar HBS opleiding in Arnhem goed met hen praten. Wij kregen van alles toegestopt: vlees, boter, brood etc. Daarom zei moeder later tegen ons, dat er ook goede Duitsers waren, die zelf gedwongen waren om dienst te nemen in het leger. Maar toen ik hoorde, dat er 7 Nederlandse soldaten en een schipper met zijn zoontje bij een vuurgevecht aan de Maas gesneuveld waren, kon ik mijn moeder maar moeilijk geloven. Achter in onze straat ligt het oude kerkhof; daar liggen de 7 jongemannen, die hun leven gaven voor onze vrijheid, begraven. Echter het probleem was, dat er slechts een soldaat katholiek was; de anderen waren protestant, die niet op gewijde aarde hun rustplaats mochten vinden. Om die kameraden toch bij elkaar te begraven, werd heel vindingrijk een stuk muur van de omheining gesloopt. Binnen de oude muur werd de katholieke militair begraven, terwijl de 6 andere gesneuvelde vrienden in een cirkel op ongewijde aarde hun laatste rustplaats vonden. Later verscheen in hun midden een waardige gedenkzuil.

Inmiddels hadden de terugtrekkende Nederlandse soldaten op doorgaande wegen versperringen aangebracht. Bomen werden omgezaagd en dienden als barricade. Een tegenslag voor de snel oprukkende Duitse legers. Mijn zus Riet (17 jaar) was na het behalen van haar Mulo-diploma bij de kinderloze tante Jos en oom Ber in Utrecht in dienst getreden bij manufacturenzaak van Lieshout tegenover de kerk in Mill. Wegens de wegversperringen kon de familie van Lieshout na een korte vakantie met hun auto niet terugkeren naar huis. Gevluchte Nederlandse soldaten vielen intussen de kledingzaak binnen, ontdeden zich van hun militaire plunje, zochten zich een burgerpak uit en namen de benen. Achtervolgende Duitse soldaten ontdekten later die militaire kledij en Riet moest hun uitleggen, waar die gevluchte Hollanders verstopt zaten. Omdat ze dat niet wist, moest ze samen met haar vriendin Fien met de handen omhoog tegen de Millse kerk gaan staan, terwijl de moffen met het geweer in de aanslag voor hen stonden. Een traumatische ervaring voor meisjes van zeventien! Gelukkig liep alles met een sisser af en uiteindelijk trouwde zus Riet in november 1945 met John Renckens uit Utrecht, die ook tijdens de Duitse invasie bij de bereden marechaussee te Mill gelegerd was. Een happy end, dus!

Toen ik op de 3e klas van de lagere school zat, kregen mijn ouders een brief  van de zusters van J.M.J. op de Weijer met de vraag, of ik daar geen misdienaar wilde worden. Vol trots bracht mijn moeder mij na schooltijd op de hoogte van deze grote uitverkiezing. Ik barstte echter in tranen uit: “ Ik ga veel liever met mijn vriendjes voetballen, dan bij die nonnen in de kapel te gaan zitten bidden!” Ik moest dat dan zelf maar tegen de zusters gaan vertellen, zei moeder. Eenmaal in het klooster werden mijn vriendje Paul Linders en ik verwend met lekkere dingen: koekjes en pruimen en peren uit de kloostertuin. “En hoe was het?”, vroeg bij thuiskomst mijn moeder benieuwd. Daarop moet ik de historische woorden gesproken hebben: “Misdienaar zal ik dan wel worden, maar pater worden doe ik nooit!” Om de andere dag ging ik moederziel alleen te voet ’s morgens om half zeven op pad door weer en wind, zelfs als de granaten door de lucht floten. De H. Mis begon om 7 uur en het lof om 5 uur. Als het ’s morgens donker was, kreeg ik de knijpkat mee. Door daar op te duwen kon ik zien, waar ik liep. Na 4 jaar trouwe dienst kreeg ik mijn eerst diploma…. als misdienaar.

Toen mijn broer Evert (ik noemde hem altijd Broer!) afgestudeerd was op de Heibloem, ging hij werken bij firma Hendrix (De KÅ‘rver). In de oven van bakkerij van Kempen in de Spoorstraat werden na het bakken van het dagelijkse brood kruiden gedroogd. Hendrix ontdekte met surrogaat producten (specerijen en koffie!) een gat in de markt en werd daarmee in de oorlogsjaren schatrijk. We mochten wel eens een kijkje nemen ’s avonds, als Broer aan het werk was. Na zijn arbeidsdienst in Staphorst ging Evert als technisch tekenaar van seintoestellen aan de slag op het hoofdkantoor van de N.S. te Utrecht, waar oom Ber adjunct-directeur was.

Intussen ging zus Riet dichterbij huis aan het werk bij de manufacturenzaak Frans Martens-Noy in de Steenstraat tegenover het Carmelietenklooster. Zij werd tevens een tweede moeder voor mijn jongere broers Math (1939) en Rob (1941).

Mijn vader Michel Breuer uit Roermond werkte bij drukkerij Schoth als typograaf van het Boxmeers Weekblad. Tevens was hij oprichter en 25 jaar lang voorzitter van postduivenvereniging De Huiszoekers. Op bevel van de Duitse bezetter moest hij in 1942 al zijn kampioensduiven slachten. Ik heb mijn vader maar twee keer zien huilen: bij het afmaken van zijn geliefde postduiven en bij het plotseling overlijden van Evert in 1946. Toch hebben heel de oorlog enkele duiven bovenop het platte dak in een klein laag rennetje rond de schoorsteen verborgen gezeten. Ook werden er enkele jonge duiven uitgezet op de kerktorens van Beugen en Sambeek. Helaas werden beide kerken voor de capitulatie door de Duitsers opgeblazen.

Gelukkig was er altijd voldoende voedsel, ook al was alles op de bon. Extra brood kregen we van bakker Lei Derks uit Groeningen, die later werd opgepakt, omdat hij ook onderduikers aan brood hielp. Papa is toen samen met mij op een zondag op bezoek gegaan bij zijn oudste broer Frans in Roermond om zijn bemiddeling te vragen bij de vrijlating van bakker Lei Derks, wat ook is gelukt. Ome Frans was getrouwd met de Duitse tante Agnes. Hij was pro Duits. In de kamer van zijn riante burgemeestersvilla hing een levensgroot portret van Adolf Hitler. Hun enig kind, zoon Tonie, was toen een jaar of 14, schat ik. Terwijl wij aan tafel zaten te praten over de oorlog, pakte Tonie een geweer van de muur en ging voor dat grote portret van Hitler staan: “Die, die müssen Sie kaput schiessen!” Ik wist als 10 jarige niet, wat ik uit de mond van mijn neef hoorde. Ik vond het heel dapper van hem. Ome Frans was vertegenwoordiger in dure Duitse meubels en heeft na de oorlog maar kort vastgezeten. Hij had als burgemeester meerdere mensen geholpen om uit de handen van de bezetter te blijven. Dat pleitte voor hem.

Op 26 september 1944 werd ons dorp Boxmeer eindelijk door Canadese huzaren bevrijd. Mijn broer Hans en ik mochten van onze ouders de rijpe perziken van de overvolle boom in ons tuintje plukken en bij het H. Hartplein aan onze bevrijders uitdelen. Die spraken frans: “Merci”. Helaas trokken de huzaren ’s nachts weer terug naar het veiligere Sint Anthonis en kwamen de Duitsers dan terug in ons dorp op rooftocht. Wij huisden toen al 6 weken in onze kelder. De Geallieerden met hun geschut  stonden opgesteld op de inrit bij het kerkhof aan het einde van onze Carmelietenstraat. Zij gooiden hun mortieren, bestemd voor de Duitse konvooien op de Rijksweg te Heijen, in een tiental kanonspijpen. Wij, kinderen uit de buurt, stonden daar vlakbij te kijken met de vingers in onze oren. Binnen een kwartier was het dan weer inpakken en wegwezen. Helaas waren de koperen hulzen nog te heet om die mee te nemen. Wij op een holletje naar de kelder thuis, want het antwoord van de Duitsers liet niet lang op zich wachten. Steeds meer buurtgenoten vertrokken naar veiligere oorden. Op 20 oktober blies de vijand ‘s nachts onze dorpskerk op. De volgende morgen vroeg zijn we naar de rokende puinhopen gaan kijken. Heel de Steenstraat was één grote hoop puin geworden. Wat een trieste aanblik. De parochiekerk Sint Petrus, waar ik gedoopt was, lag in puin. Van de toren, die we als misdienaars wel eens mochten beklimmen, was niets meer over. Ook de Geallieerden kwamen terug om een kijkje te nemen. Sommigen hadden hun gezicht zwart gemaakt. De moffen bleken vooral schrik te hebben voor negersoldaten. Rond het middaguur ging papa de geit van buurman Jansen, die al vertrokken was, verzorgen. Plotseling brak er een hels granaatvuur los. Wat hebben we toen samen in de kelder vurig zitten bidden en huilen. We vreesden het ergste, omdat papa maar niet kwam opdagen. Na een half uur kwam vader lijkbleek thuis. Wat waren we opgelucht. Vader had achter het muurtje bij het paadje naast het huis van Jan Theunissen gelegen, terwijl de granaten rondom hem vielen. Ons huis werd getroffen door een granaatscherf, die zich in het hart van het grote Heilig Hart beeld boorde, dat in de kamer stond. Heel erg wonderlijk! 

Met achterlating van alles (ook de uitzet van zus Riet, die op trouwen stond!) zijn we toen ijlings vertrokken naar het boerderijtje van de familie Theunissen in Sint Hubert. Het was er propvol met 3 families. Wij zijn toen vertrokken naar de Distelberg te Helvoirt, waar we een half jaar gastvrijheid genoten. Ik leerde daar het boerenwerk (melken, karnen, dorsen etc.). Dat is mij later goed van pas gekomen op mijn kinderboerderij te Evertsoord. In de bossen lagen Engelse soldaten. Wij gingen eieren ruilen voor: soop, sigrets end sjoklat. Dat waren onze eerste Engelse woorden. Toch voelden we ons allerminst veilig wegens de V1 en later V2, die in de omgeving neerstortten en ontploften.

Vlak voor Pasen 1945 mochten we terugkeren naar ons huis in Boxmeer. Het was helemaal leeg geroofd. Wat restte, was een grote puinhoop vol viezigheid. Hans en ik groeven in de tuin een heel diep gat en kieperden daar alle troep in. Via hulporganisatie De HARK ( Hulp Actie Rode Kruis ) kregen we de noodzakelijkste huisraad. We waren zielsgelukkig weer thuis te zijn.

Op 4 mei - de 20e verjaardag van Broer Evert- werden Hans en ik rond 22.00 uur uit bed gehaald. Het was groot feest, want de Duitsers hadden gecapituleerd. Mijn zus Riet en nicht Diny Derks zaten in de kamer van oranje stoffen en rood-wit-blauwe linten al feestkleding te maken. Tijdens het volksfestijn werden op het Wilhelminaplein de opgepakte NSB’ers kaal geschoren. Ik stond er bij met gemengde gevoelens. Want het waren voornamelijk de heel arme dorpsgenoten, die hier zo vernederd werden.

Twee dagen later al stond vanuit Amsterdam plotseling de verloofde van Riet met de motor voor de deur. Een blij weerzien! John bracht echter ook slecht nieuws: “Na een staking bij de N.S. is Evert in januari op transport naar een Duits werkkamp gezet.” Er was veel onzekerheid over zijn lot. Een briefkaart van Evert zelf aan ome Mathieu in Someren maakte gelukkig een einde aan alle onzekerheid: “Of ze in Boxmeer allemaal dood waren?”, was zijn vraag. Een week later kwam John in politie-uniform weer met de motor naar Boxmeer. Dit maal had hij broer Evert in militair uniform meegesmokkeld. Hoewel Evert weinig losliet over zijn trieste ervaringen tijdens de deportatie naar Duitsland, was het voor iedereen duidelijk, dat hij met heel veel moed daar wist te overleven. Bij een bombardement van het kamp wist hij met een vriend te ontvluchten en liep helemaal naar Utrecht terug. Eerst na zijn plotseling dood in maart 1946 (hersenbloeding) vonden we zijn dagboek over zijn afschuwelijke ervaringen. Reeds de tweede dag zaten er twee jongens dood gevroren in zijn wagon. De derde dag gooiden goedwillende Duitsers korsten brood in de open goederenwagons. “Die korsten smaakten nog heerlijker dan het lekkerste gebakje!”, schreef Evert. Zijn dagboek is voor mij een kostbaar bezit. Mijn anti-Duitse gevoelens werden vanaf toen alleen maar heftiger. Het zou nog tientallen jaren duren, voordat ik wat milder werd gestemd tegenover alles, wat Duits was. Toch mogen we nooit stoppen met het doorgeven van deze gruwelijke ervaringen aan onze volgende generaties. Het dagelijks journaal op onze televisie maakt telkens opnieuw duidelijk, dat onze wereld nog een lange weg te gaan heeft om iedereen een vredig en liefdevol leven te bieden in alle landen. Met het volkslied van de Europese Unie uit 1985 mogen wij een hoopvolle toekomst tegemoet zien: Alle Menschen werden Brüder!

                                                                                                                                    bertbreuer@hotmail.com