Paula Cremers-Cardynaals

Maandag 04 mei 2026

Monument Japanse Vrouwenkampen Museum Bronbeek Arnhem.

Paula (89) overleefde Japans kamp als kind, maar kreeg in Nederland de grootste klap: ‘Niemand vroeg wat we hadden meegemaakt’

Paula Cremers-Cardynaals (89) is 4 jaar oud als ze ziet dat mensen haar huis in Nederlands-Indië met prikkeldraad omheinen. Het is het begin van 3,5 jaar gevangenschap in interneringskampen onder de Japanse bezetting, waar honger, martelingen en doodsangsten dagelijkse realiteit zijn. Ze heeft geen trauma’s, zegt ze. Toch is de impact blijvend.

Foto: Hist. Ver. Nepomuk Boxmeer.

‘Zat ik maar weer in het Jappenkamp.’

Dat is wat Paula Cremers-Cardynaals schrijft, als 17-jarige op de kostschool.

Het wordt haar niet in dank afgenomen. ‘Hoe kán je dat zeggen?’, zeggen de zusters die er les geven.
Nu duidt ze het. „Die periode ná de oorlog was in zekere zin nog erger.”

Cultuurshock

Het is nog steeds een onderbelicht stuk geschiedenis, stelt Paula. Middelbare scholieren horen in lessen over de Tweede Wereldoorlog amper over de Japanse bezetting van Nederlands-Indië.

Toch woonden er 360.000 Europeanen, voornamelijk Nederlanders, in Nederlands-Indië. Van hen kwamen ongeveer 100.000 in kampen terecht.

Voor haar ouders begon het allemaal als één groot avontuur. De 23-jarige Limburgse Dorothea - Paula’s moeder - vertrekt in 1935 met haar tien jaar oudere man Jan naar Nederlands-Indië. Een cultuurshock, weet Paula. „Ze was weinig gewend.”

De kolonie is olierijk. Vader werkt bij de Bataafse Petroleum Maatschappij (B.P.M., nu Shell). Paula groeit op het eiland Sumatra op, met Nederlandse vriendjes, een baboe (nanny) en veel uren in de tropische tuin. Drie jaar later wordt zusje Hélène geboren.

Prikkeldraad rondom huis

Daarna volgt voor het gezin een ‘fantastische tijd’, weet Paula. Reizen door Amerika, van hotel naar hotel. „Mijn vader was troubleshooter, voor ons was het feest.”

Tot hij wordt opgeroepen terug te keren naar Nederlands-Indië. De Tweede Wereldoorlog begint, ook daar rommelt het. Japan, bondgenoot van Duitsland, dreigt Nederlands-Indië binnen te vallen vanwege de olie die nodig is voor de oorlog.

„Mijn vaders werk zei: wacht eerst af, het is nu niet veilig. Maar mijn moeder had geen geduld.” Ze reist vooruit, met de meisjes. „Ze vond het reuze belangrijk om het huis op orde te maken.”

Nog geen drie dagen later ziet Paula, als ze de gordijnen opendoet, een man hun huis in Badoeng (Java) omheinen met prikkeldraad. Een Japanner, blijkt. Vanaf dat moment zijn Paula, haar moeder en zusje gevangenen.

Afschuwelijke jaren

Er volgen 3,5 afschuwelijke jaren. Eerst een halfjaar opsluiting in het eigen huis, mét zestig andere Europeanen. Moeders en kinderen zijn inmiddels van de mannen gescheiden. „We wisten niet of mijn vader nog in Amerika was of ook in Nederlands-Indië.”

Zonder radio of contact met de buitenwereld leven de gezinnen in isolement. Eten en drinken is beperkt, privacy ontbreekt. Maar het is nog niets vergeleken met het concentratiekamp dat volgt: Kedoeng Badak, bij het plaatsje Buitenzorg.

Daar zitten ze met tweehonderd mensen in één barak. „Slechts 50 centimeter ruimte per volwassene, 30 per kind.”

Ondanks de hitte gaat de kraan slechts drie keer per dag open. Moessonregens veranderen alles in modder. Mensen zijn vies, ziek en ondervoed. Naarmate de tijd verstrijkt, sterven steeds meer gevangenen.

Straf

Dagelijks zijn er martelingen. Als je niet buigt in het driedagelijkse appèl: bidden tot de Japanse keizer. Als je niet goed meetelt in het Japans of als je niet toekijkt hoe anderen klappen krijgen. Of als je - zoals Paula’s moeder - stiekem sommetjes maakt in het zand. „Ze wilde ons zo graag leren rekenen. Dat was verboden, ze namen haar mee. Ik hoor haar nog schreeuwen en gillen.”

Wat ook op haar netvlies staat gebrand: „Toen ik 8 was, moest ik dagelijks de varkens voeren. Soms zag ik in de trog een stukje wit brood drijven. Dat pakte ik dan. Ik bewaarde het. Ook voor mijn zusje, zij was uitgemergeld. Tot ik werd betrapt.”

De straf: achter de lijkkar aanlopen, waar benen en armen uitsteken, op weg naar de rivier waar ze gedumpt worden. Het hele kamp protesteert, tevergeefs. Ze moet.

Later volgt nog een derde kamp, Makassar. Veel mensen overleven de treinreis erheen - in bomvolle wagons - al niet. „En eenmaal daar waren de omstandigheden nóg zwaarder.”

Atoombom

Na bijna een jaar - in mei 1945 - gaat er een gerucht: de Japanners zullen hen allemaal liquideren, binnen twee maanden tijd. Alom paniek. Maar zo ver komt het niet. In augustus 1945 gooit Amerika atoombommen op de Japanse steden Hiroshima en Nagasaki. Japan geeft zich over, waardoor de bezetting ten einde komt.

Het Wilhelmus wordt gezongen, tonnen voedsel arriveren, het is feest. Maar al snel vragen de vrouwen zich af: waar zijn onze mannen. „Wij dachten dat mijn vader dood was. Er was een lijst met namen. Achter zijn naam stond: beheaded - onthoofd.”

Dagen later komt er echter een jeep bij het kamp, met een broodmagere man zonder tanden, op krukken. „Hij vroeg me: waar kan ik mevrouw Cardynaals vinden? Ik herkende mijn vader, was perplex en zei: Heb jij een hoofd?”

‘Tenminste warm gehad’

Eind 1945 keert Paula terug in bevrijd Nederland, naar haar oma in Heerlen. Haar ouders gaan later naar Nieuw-Guinea, voor Paula was het - na jaren zonder onderwijs - ‘tijd om school in te halen’. Toch wacht haar daar geen warm welkom.

„Ik zie mijn oma me nog staan opwachten, in een lange, zwarte jurk, op mij neerkijkend. Ze zei direct: ‘We zitten hier niet op jou te wachten’.”

Over de oorlog geen woord, behalve ‘jij hebt het tenminste warm gehad’ tegen Paula. „Zo werd er toen in Nederland naar gekeken. Wij hadden geen koude hongerwinter gehad, dus moesten we ons niet aanstellen.”

Eenzaamheid

Op de lagere school wordt ze met de nek aangekeken. „De kinderen - en de zusters - noemden ons dom en indo’s. Afschuwelijk.” Dat eenzame gevoel blijft haar achtervolgen, ook als ze later op een kostschool in Amersfoort zit.

„Het is om die reden dat ik terugverlangde naar het Jappenkamp. Ondanks de gruwelijkheden daar, vond ik de eenzaamheid, het gebrek aan liefde in Nederland nóg erger. In het Jappenkamp was er tenminste een gezin waar ik bij hoorde.”

Dat is wat haar door die tijd heen helpt, stelt ze nu: „Mijn moeder, zusje en de vriendschappen die ik opbouwde in het kamp.”

Rattenkoppen

De relatie met haar moeder werd vanaf de kostschool slechter. „Ik nam het haar kwalijk dat ik alleen was.”

Pas later - als Paula zelf kinderen krijgt - komt het besef: „Zonder haar was ik er nooit meer geweest. Zij leerde ons: je moet overal boven staan. Bij elke tegenslag sterk staan. Ze heeft gevochten. Alle moeders in het kamp hebben gestreden.”

„Hoe ze soep van rattenkoppen maakte en eten bij elkaar zocht om ons in leven te houden. Hoe er humor bleef - ‘ieder huisje heeft z’n kruisje, werd ieder huisje heeft z’n luisje’ - om de boel te verlichten. Ik had het niet gered zonder die saamhorigheid. Het warme gezinsleven geeft me nog altijd de kracht om door te gaan.”

‘Vertel het ze’

Thuis bleef - ook op latere leeftijd - de oorlog een verboden onderwerp. „We gaan door, was de mindset. En niemand vroeg iets, dus vertelde ik ook niets.”

Paula houdt dat lang vol. Ook als ze trouwt met Frans, settelt in Boxmeer en drie kinderen krijgt. Tot haar jongste zoon de klas uit wordt gestuurd en op de stoep staat. „Hij had tijdens geschiedenisles gezegd ‘ik ben blij dat die atoombom is gegooid’, zonder context. Maar thuis legde hij uit: „Die heeft jou bevrijd, mama.”

Wat bleek: Paula’s zoon wist het al die tijd. „Hij had het niet van mij, maar toch ergens opgevangen. Toen ik later eens heel boos werd op hem - hij had zijn brood weggegooid omdat er een frietboer stond - zei mijn man: ‘Vertel het ze’.”

Inhaalslag

Sindsdien praat ze wél, nu zelfs al 25 jaar in gastlessen. Bij ál haar acht kleinkinderen stond ze al voor de klas. Praten voelt als de echte bevrijding, stelt ze. „Het is als het uitdoen van een jasje dat al veel te lang te krap zat. Het is een inhaalslag.”

 

‘Vindt u het niet lastig om te vertellen?’, krijgt ze vaak als vraag uit een klas. „Dan zeg ik: nee, want ik heb er geen trauma’s aan overgehouden.”

Helemaal géén? „Misschien ongemerkt. Ik moest tijdens het vervoer naar een kamp boven op een busje zitten, in mijn eentje. Toen heb ik me zó enorm vastgeklemd, dat ik spullen nog steeds stevig schijn te omklemmen. Want als ik loslaat...”

Nooit meer huilen

De oorlog liet ook haar ouders - die zwegen - nooit los. „Mijn vader heeft het altijd erg gevonden dat hij mij niet herkende na de oorlog, vertelde hij op zijn sterfbed. Pas na zijn overlijden hoorde ik wat hij in de kampen had meegemaakt.”

„Toen ik vertelde dat ik gastlessen ging geven, moest mijn moeder heel hard huilen. Ze had zo gehoopt dat de herinneringen me bespaard waren gebleven. Mijn verhaal is dan ook een eerbetoon aan haar. En alle moeders die knokken voor hun kinderen.”

„Ze is 95 geworden en zei kort voor haar dood nog: ik had nooit zo eigenwijs moeten zijn om terug te gaan naar Nederlands-Indië. Het zat schijnbaar nog dwars. Tot haar einde toe heeft ze nachtmerries gehad. Over hoe haar kinderen werden vermoord.”

Nachtmerries heeft Paula ook. Nog steeds.

„Nog iets: ik kan nooit meer huilen. Ook niet als ik alleen ben. Ik was 58 jaar getrouwd met mijn grote liefde, maar het bleef droog toen hij twee jaar geleden overleed. Mijn kinderen wachten nog steeds op mijn eerste huilbui. Maar huilen mocht ik nooit en de dood is me ‘eigen’ geworden. Zo ben ik opgegroeid.”

Vergeving

De Japanners heeft ze naar eigen zeggen ‘helemaal vergeven’. Ze koestert de verrekijker die haar vader na de oorlog kreeg van een voormalig Japanse kolonel. „Met die verrekijker begluurde die kolonel nog de geallieerden, bizar toch.”

Kort na de bevrijding dook de man ineens op bij hun huis. „Ik riep mijn moeder: er staat wéér een Jap in de tuin. Hij had schijnbaar verplichte krijgsdienst en moest schoffelen en harken in zijn gescheurde uniform. Vernederend voor hem. Mijn moeder zei: ‘Die Jap moet weg’. Maar mijn vader gaf hem een baan op kantoor. Ze werden vrienden.”

Regelmatig ontmoet ze nog Japanners, in de trein of op straat.

„Laatst gaf een student me in de lift nog een hand en zei: I’m Japanese. Dan flitst er van alles door me heen. Maar geen haat. Ik denk wel: wat zou hij weten van de oorlog?” Ze glimlacht.

„Als ik hem weer zie, vraag ik het nog eens.”

Kijktip: Oorlog is Erfelijk

In deze documentaireserie van BNN Vara en War Child onderzoekt Natascha van Weezel hoe oorlogstrauma’s generaties lang doorwerken. Uitzending; 4 mei om 21.10 op NPO 2.

 

Bron: De Gelderlander Anne Veens, 3 mei 2026