Marchaussee in Boxmeer

Versie 22 november 2025

Hans Veltman

125 jaar Marechaussee in Boxmeer

Op 21 oktober 1794 werd Boxmeer door Franse Revolutionaire troepen bezet en op 18 december

1797 werd de Heerlijkheid Boxmeer afgeschaft, om op 23 januari 1798 te worden toegevoegd aan

een zusterrepubliek van de Eerste Franse Republiek. Op 5 januari 1800 werd het gebied van de

voormalige Heerlijkheid Boxmeer (tezamen met

andere Vrije Brabantse Heerlijkheden (enclaves) Bokhoven, Megen, Ravenstein, Gemert en Oeffelt))

door Frankrijk voor 35 miljoen gulden verkocht aan de Bataafse Republiek. Maar het duurde tot 26

september 1805 voordat Boxmeer formeel werd toegevoegd aan de Bataafse Republiek. In de

tussenliggende jaren werden de enclaves namens de republiek apart bestuurd door een commissaris.

De Bataafse periode heeft voor Boxmeer maar kort geduurd, want de Bataafse Republiek werd op 5

juni 1806 het Koninkrijk Holland en Napoleon Bonaparte stelde zijn broer Lodewijk Napoleon daarvan

als koning aan. Deze bezocht Boxmeer op 14 april 1809 en overnachtte op het kasteel.

In 1810 werd het Koninkrijk Holland ingelijfd bij het Franse Rijk en dat bleef zo tot 1814. Boxmeer

maakte dus onderdeel uit van het Franse Keizerrijk en wel van het Kanton Nijmegen binnen het

Departement Monden van de Rijn. Het bestuur vond plaats vanuit Parijs. Toen werd de Burgerlijke

stand administratie ingevoerd, oude maatvoeringen werden vervangen door een tiendelig metriek

stelsel en de invoering van het kadaster werd voorbereid.

Prins Willem landde op 30 november 1813 te Scheveningen en accepteerde de titel Soeverein Vorst

der Verenigde Nederlanden en op 15 december 1813 werd bepaald dat de in maart 1810 aan

Frankrijk afgestane Departementen van Rijn en Maas weer werden toegevoegd aan de Verenigde

Nederlanden.

Keizer Napoleon verloor in 1813 de slag bij Leipzig en werd verbannen naar Elba en na een

ontsnapping verloor hij in juni 1815 de slag bij Waterloo en werd hij verbannen naar St.Helena.

Herman-Jan van Cuijk schrijft in zijn boek” 175 jaar protestants kerk Boxmeer”: “Op 5 januari 1814

dreunde de stenen brug bij de St. Rochuskapel door de laarzen van een goede 2000 Fransozen die via

de Velgert, Keistraat en Molenpoort richting “la patrie” afdropen”.

Na de Franse tijd was er op het platteland nauwelijks politietoezicht. De Gemeentebesturen lieten dat

over aan door hen, tegen een karig loon, aangestelde veldwachters waarbij het postuur belangrijker

was dan kennis van zaken.

Het centraal gezag ging zich echter steeds meer bezig houden met de lokale ordehandhaving en er

werden eisen gesteld aan de veldwachters zoals: het kunnen lezen en schrijven, gezond en lichamelijk

sterk zijn en zo weinig mogelijk gebruik maken van sterke drank.

In 1803 en daarvoor al in 1795, was getracht in geheel andere omstandigheden en staatkundige

verhoudingen dan bij na te melden actie van Willem 1, in Brabant een compagnie marechaussee op

te richten ter beveiliging van personen en goederen tegen roverijen en geweld.( Bokkenrijders), Deze

pogingen liepen op niets uit.

Bij het vredesverdrag van Parijs op 30 mei 1814 was besloten dat Nederland zou worden uitgebreid

met het Belgisch grondgebied (bevestigd op het Weens congres dat duurde van 18-9-1814 tot 9 juni

1815)

Of Willem I van het spreekwoord driemaal is scheepsrecht op de hoogte was, lijkt waarschijnlijk want

hij besloot op 26-10-1814 een Korps Mareschaussee op te richten. De eerste compagnie werd in wat

nu Limburg is, in 1815 in Maastricht gevestigd en vervolgens werden brigades in Belgisch en

Nederlands Limburg uitgezet.

​

De Marechaussee hield dus op bij de zuidgrens van Noord-Brabant en dat betekende dat misdadigers

en deserteurs zich in Noord-Brabant schuilhielden en de bevolking terroriseerden en

geweldmisdrijven pleegden

Begin april 1818 besloot Koning Willem I dan ook het wapen der Marechaussee uit te breiden met

een compagnie Noord-Brabant met 28 brigades. Hoofdtaken waren patrouilleren te paard,

ordehandhaving en onderzoek naar misdaden. In Boxmeer had de Marechaussee ook dienst bij het

Vredegerecht (voorloper van het Kantongerecht).

Sollicitanten werden met name geworven in de Noordelijke Nederlanden (daartoe behoorde dus ook

Noord-Brabant) en mochten maximaal 40 jaar zijn, vrij zijn van alle gebreken en zij moesten in staat

zijn om eigen kleding en uitrusting aan te schaffen of daarvoor in de plaats moest men 150 gulden

neer kunnen tellen. Het salaris was: 750 gulden per jaar voor een opperwachtmeester te paard, een

brigadier te paard 650 gulden en een marechaussee te paard 540 gulden. Van die bezoldiging moest

kleding, paard en tuigen worden aangeschaft, de paarden worden beslagen, onderhouden en

gevoerd. Een marechaussee te voet kreeg 250 gulden per jaar en een brigadier te voet 300 gulden.

Bijverdiensten bestonden uit een premiestelsel: 40 gulden voor de aanhouding van een galeiboef, 21

gulden voor aanhouding van een deserteur en 7,50 gulden voor een veroordeelde, alles onder de

voorwaarde dat geen inschakeling van een deurwaarder daarbij nodig was. Als men zich op andere

wijze onderscheidde werd minimaal 15 gulden uitgekeerd.

Een brigade bestond gemiddeld uit 1 wachtmeester of brigadier en 4 marechaussees.

Conform het kazernebeginsel waren de onderofficieren en marechaussees verplicht in de kazerne te

wonen. Zelfs op vrije dagen moest permissie gevraagd worden om de kazerne te mogen verlaten. Ook

het afzonderingscriterium was daar een reden voor: een onafhankelijke en onpartijdige houding ten

opzichte van de bevolking. Ongehuwde marechaussees moesten vaak met 2 of 3 man een kamer

delen en voor maaltijden en de was weken zij soms uit naar kosthuizen en dat stond dan weer haaks

op het afzonderingsbeginsel. Voor trouwen moest men, op straffe van ontslag, ook toestemming

verkrijgen, met als reden dat er voor gehuwden niet altijd plaats was in de kazerne.

Voor spijtoptanten die voortijdig bij de Marechaussee wilden vertrekken zat er dus niets anders op

dan zonder toestemming te vragen in het huwelijk te treden.

In februari 1880 werd bij Koninklijk Besluit bepaald dat alle onderofficieren, voor officieren was dat al

zo, voor een huwelijk toestemming kregen. Van het overige personeel der Marechaussee mocht

slecht een vijfde gedeelte gehuwd zijn.

Op 3-11-1818 arriveerden er 5 marechaussees te paard in Boxmeer die de 1e brigade vormden.

Iedere gemeente waar een brigade werd gevestigd, was verplicht om, op haar kosten, voor stalling

van paarden en voor onderdak van onderofficieren en manschappen zorg te dragen. De vergoeding

die de Gemeente van het Rijk ontving, bedroeg nog niet ¼ van de werkelijke kosten.

De Gemeente Boxmeer had geen huisvesting beschikbaar zodat marechaussees en paarden in

herbergen en bij particulieren moesten worden ondergebracht. Voor Hollanders stond de Boxmeerse

bevolking echter niet in de rij en men was nog niet vergeten dat rekeningen uit de Franse tijd

onbetaald waren gebleven. Een brigade van de Franse Gendarmerie verbleef destijds in herberg “De

Pelikaan” maar de rekening daarvoor werd nooit betaald.

De paarden en 4 van de 5 marechaussees vonden onderdak in herberg “De Blauwe Engel” van

Arnoldus Molmans tegenover de Nepomuk Kapel. Molmans verkocht dat onroerend goed op 22 juni

1822 aan de Hervormde Gemeente, die daar kerk en pastorie bouwde.

Gelet op de verplichting van de Gemeente Boxmeer om voor huisvesting van de brigade zorg te

dragen moest men zelf aan de slag

Op 28-12-1818 vond de aanbesteding (timmerwerk) plaats voor de ombouw van het

Schoolmeestershuis en het schoolvertrek (vlakbij het toenmalige Gemeentehuis) tot kazerne inclusief

paardenstal aan wat nu de Burgemeester Verkuijlstraat is, daarvoor genaamd Kreupelstraat en ten

tijde van het ombouwen tot kazerne aangeduid als Meesterstraat en ook als Keistraat A 34.

De aanbesteding vond plaats bij afslag en de condities en omschrijvingen waren zeer uitvoerig: de

kazerne moest gereed zijn 21-2-1819 en de stal op 1-5-1819, later uitgesteld tot 15-9-1819. De

bestaande stal van de voormalige Franse Gendarmerie moest door de aannemer maar gekocht

worden van de eigenaar en uitgebreid worden met 2 nieuwe paardenbakken en ruiven. Er moesten 2

borgen gesteld worden. Gunning vond plaats voor 660 gulden aan Wilhelmus Molmans., die op 7-10-

1819 verklaarde het hem toekomende bedrag te hebben ontvangen. Daarnaast vonden op gelijke

wijze aanbestedingen en gunningen plaats voor het leveren van 5 matrassen, 5 hoofdkussens, 5

strozakken, 5 dekens, 10 bedlakens, 5 houten kribben, 5 tafels met schuifladen en sloten, 1 haverkist

en mogelijkheden voor het ophangen van de patroontas, sabel of bajonet. Alle maatvoeringen waren

aangegeven in Rijnlandse maatvoering. Krib 6 voet lang: is 188,4 cm

De kazerne werd in oktober 1819 betrokken.

Criminelen werden met de handen geboeid en met een touw gebonden aan de zadelknop van een

marechaussee te voet overgebracht naar de kazerne. Op die manier werd ook een verdachte van

Vierlingsbeek naar Boxmeer gebracht.

De Gemeenten klaagden over de hoge kosten en lage vergoedingen waarna de regering besloot dat

de kosten voor de marechaussee mochten worden omgeslagen over alle Gemeenten die behoorden

tot het werkgebied van de desbetreffende brigade naar rato van het inwoneraantal. Het betrof voor

Boxmeer 8 Gemeenten: Boxmeer, Sambeek, St.Anthonis en Ledeacker, Wanrooij, Cuijk en St.Agatha,

Oeffelt, Beugen en Rijkevoort en Haps

Jaren lang is er discussie geweest over wie uiteindelijk de kosten voor de marechaussee moest

dragen: de Gemeenten , de Provincie, het Rijk (deels ministerie van Oorlog, deels Ministerie van

Justitie); het werd vanaf 1851 het Rijk, en wel vanaf 1861 het ministerie van Oorlog.

Rond het uitroepen van de onafhankelijkheid van België in augustus 1830 (geformaliseerd bij het

Verdrag van Londen in 1839) was het grootste deel van de marechaussees in de zuidelijke

departementen gestationeerd en die bestonden hoofdzakelijk uit Belgen die allemaal de zijde van de

opstandelingen kozen. Ook de gemeenten in het huidige Noord-Limburg erkenden de voorlopige

regering in Brussel. Een detachement van 94 marechaussees en 80 schutters vocht vanuit Boxmeer in

1831 tegen een Belgisch leger dat Oost-Brabant binnendrong

Ook een deel van de Boxmeerse bevolking keerde zich tegen de “ordehandhavers”. In Boxmeer

werden de ruiten van de woningen van de burgemeester en secretaris ingegooid. De provinciaal

commandant van het departement van Oorlog meldde dat “er maar weinig voor nodig is om Boxmeer

in handen van de opstandelingen te spelen”.

Er werd fors opgetreden: Voor het beledigen van de Koning met de woorden ”Ik beschijt den Koning

enz “, stelde de Marechaussee een onderzoek in en de Boxmeerse horlogemaker die die woorden

bezigde, kreeg 2 jaar gevangenisstraf wegens majesteitsschennis.

In de Gemeenteraadsvergadering van 14 juni 1845 wordt verslag gedaan van het aanvangen van de

bouw in 1846 van een nieuwe kazerne ter plekke van de in 1819 gebouwde kazerne en in de

raadsvergadering van 24 maart 1847 wordt medegedeeld dat de nieuwe kazerne was betrokken.

Architect was J. Beuijsen en de bouwkosten bedroegen 3.995, - gulden.

In de “Chroniek van Boxmeer” uitgegeven in 1890 schrijft van Beurden: “de nieuwe

Marechausseekazerne is in 1840 in de Peelenstraat gesticht” Die plek staat bekend als het Leucker.

Van Beurden schrijft in het Boxmeers Weekblad in 1898 dat de kazerne sinds 1840 in het huidige

postkantoor was gevestigd. Beide beweringen zijn aantoonbaar onjuist.

Uit mijn onderzoek blijkt dat in het bevolkingsregister van 1880 en 1881 nog marechaussees werden

ingeschreven op het adres van de oorspronkelijk in 1819 betrokken en nadien ter plekke in 1846

gebouwde kazerne naast het toenmalige Gemeentehuis.

​

Op 30 juni 1882 vond de aanbesteding plaats voor het inrichten van de voormalige kazerne der

marechaussee tot Post-en Telegraafkantoor met directeurswoning. De gevel van het Post-

Telegraafkantoor is in beginsel dezelfde als die van de kazerne behoudens elementen gerelateerd aan

de nieuwe bestemming.

De verplaatsing van de Marechaussee naar het Leucker vond plaats in 1882.

Het Leucker lag voorbij het Elzendaalklooster en was een door een gracht omgeven landgoed

bestaande uit een herenhuis, arbeiderswoning, koetshuis, stalling, schuur, verdere gebouwen,

boomgaard, lanen en bomen C 147 met later als adres Pastoor Kerstenstraat 28.

Jan Hendrik Hermans gemeentesecretaris van Boxmeer en Sambeek kocht het Leucker in augustus

1855 en overleed na zijn echtgenote op 20-12-1870. Zijn enige zoon-erfgenaam verhuurde het

Leucker vanaf jan 1882 tot eind 1895 aan de Gemeente die er de Marechaussee in heeft gehuisvest.

Toen in 1891 een groep processiegangers van elders In Boxmeers liederen zongen zoals: O, Gij die

woont waar Jezus troont en Lieve moeder van de Heer enz stelde de Marechaussee een onderzoek in

of er sprake was van een overtreding van het processieverbod. De Mareschaussee stak zijn licht op bij

de Pastoor met de vraag of dat godsdienstige liederen waren. De pastoor zei nee. Zaak afgedaan!

Zoon Hermans verkoopt het Leucker op 17-3-1894 aan Leopold Johan Jacob Achterbergh

sigarenfabrikant die het landgoed voor zijn sigarenfabriek wilde gebruiken en dus kort na zij aankoop

de schuur tot sigarenfabriek liet verbouwen. De marechaussee moest derhalve verkassen.

Achterbergh trouwde, na al 2 keer weduwnaar te zijn geworden, in 1900 met Maria Ida Hubertina

Schoth, dochter van Ferdinand Jacob Schoth, boekdrukker wonende in “Huize het Lamke” Steenstraat

32. In januari 1901 sloopte Achterbergh het huis op het leucker en bouwde daar een nieuw

woonhuis. Zijn derde echtgenote overleed op 8 december 1901 op 34-jarige leeftijd. Achterbergh

verhuisde in datzelfde jaar naar de Steenstraat, waar recent de Blokkerwinkel was.

In 1895 moest de Marechaussee hardhandig optreden toen een aantal wegens hun lidmaatschap van

de socialistische bond ontslagen sigarenmakers de confrontatie aangingen met sigarenmakers van

elders die de plaatsen in hadden genomen van de Boxmeerse ontslagen sigarenmakers.

(Burgemeester Clemens Hengst, de pastoor en de sigarenfabrikanten trokken één lijn)

Het volgende onderkomen voor ongeveer 10 jaar werd gevonden op Veerstraat 19 (destijds genaamd

Klinkerweg), sedert maart 1887 eigendom van Cornelis Petrus van der Drift sigarenfabrikant geboren

in Alkmaar en gehuwd met een dochter van de Boxmeerse arts Sormani. Van der Drift was ook

eigenaar van het naastgelegen onroerend goed bestaande uit woonhuis en sigarenfabriek.

Hij verhuurde Veerstraat 19, (genaamd “de Cloese”) vermoedelijk via de Gemeente aan de

Marechaussee voor 500 gulden per jaar. De familie van der Drift verhuisde per 8-10-1895 naar Breda.

In 1912 verkocht van der Drift zijn onroerend goed aan de Veerstraat aan Petrus Jacobus Jansen,

slager gehuwd met Maria Clara Verdijk. Via de familie Bergmann, Stumpel kwam Veerstraat 19 in

eigendom van de fam. Pieper.

Het volgende adres vanaf 1906 was Spoorstraat 42-44 (hoek Oranjestraat). Eigenaar Wilhelmus

Jacobus Verdijk herbergier, bij wie al marechaussees inwoonden, bouwde daar op een perceel dat al

meerdere generaties Verdijk bezit was, een kazerne met 3 woningen aan de Spoorstraat en een

bureel en stallen aan de achterzijde (ingang Oranjestraat) en verhuurde het geheel via de Gemeente

aan de Marechaussee. Verdijk overleed op 23-5-1929.

Volgens de Gemeente voldeed de kazerne eind jaren twintig van de vorige eeuw niet meer aan de

gestelde eisen en daarom besloot de Gemeente om zelf een kazerne te bouwen

In april 1932 verkocht de familie Verdijk de reeds gedeeltelijk verbouwde voormalige kazerne aan de

Gemeente om te worden ingericht voor de Protestants Christelijke School met onderwijzerswoning.

De Marechaussee moest derhalve wederom verhuizen en de Gemeente liet architect George Rasker

een kazerne met woningen (met kamers voor ongehuwden en gehuwden) ontwerpen op het terrein

Spoorstraat met de latere huisnummers 57-59-61- 63, eigendom van de Gemeente Boxmeer.

De aanbesteding, uitgezet in 2 varianten, werd voor 25.000,- gulden gegund aan de laagste inschrijver

C.Heurkens & Zoon uit Boxmeer.

In 1931 werden de kazerne en de woningen betrokken.

De Gemeente verhuurde het geheel aan de Marechaussee voor 200 gulden per jaar.

Dat een goede buur belangrijk is maar niet alles kan oplossen bleek in 1939 toen een brandkast van

W. Hendrix van de Pluimvee- en Voederfabrieken werd opengebroken en er circa Fl 9.000, - werd buit

gemaakt. Verdacht werd een Boxmeerse zwager van “Brabants Toontje”. Toontje was lid van de Osse

bende geweest en was dus goed opgeleid tot meester inbreker en de werkloze zwager leefde op

grote voet. Je zou zeggen een en een is drie maar ondanks uitgebreid onderzoek dat met de grootste

voorzichtigheid en in stilte werd verricht, kreeg men het bewijs van betrokkenheid bij de inbraak bij

Hendrix niet rond ook al vond men bij de verdachte een glazen potje, met 1000 gulden. Wel werd

bewijs tegen de verdachte gevonden voor een inbraak in de zuivelfabriek van Gemert.

Op 5 juli 1940 werd het Wapen der Koninklijke Marechaussee door de Duitse bezetter overgebracht

naar de burgerlijke politie vallende onder het Ministerie van Justitie en ook het predicaat “Koninklijk”

verviel. In september 1941 vorderde de bezetter de paarden van de Marechaussee.

De leidinggevende officieren werden door NSB’ers vervangen. De volgende stap was dat de bezetter

op 15 mei 1942 alle niet met de bezetter meewerkende marechaussee-officieren in

krijgsgevangenschap bracht.

In de bezettingstijd bleef de taak van de Marechaussee in feite dezelfde als die van de vooroorlogse

Koninklijke Marechaussee: het fungeren als plattelandspolitie. Echte militaire taken had de K-Mar

namelijk vóór de oorlog ook niet of nauwelijks

Op 13 februari 1942 is ter uitvoering van een Raadsbesluit dd 14 december 1938 door de

Burgemeester van Boxmeer namens de Gemeente als verhuurder en door het waarnemend Hoofd

van de Rijksgebouwendienst namen het Rijk als huurder met betrekking tot Spoorstraat 57-59-61-63

een overeenkomst gesloten voor een tijd van 1 jaar ingegaan zijnde 1-1-1941 met automatische

verlenging telkens voor 1 jaar waarbij de bestemming van het gehuurde wordt omschreven als “te

gebruiken voor huisvesting van het personeel van de brigade Marechaussee te Boxmeer”. Huurprijs

vast voor 2000,- gulden per jaar. (Stalling van paarden is niet meer in de overeenkomst opgenomen!!)

Op 1 augustus 1945 werd door de Ministers van Oorlog en Justitie besloten om het Wapen der

Koninklijke Marechaussee in oude orde te herstellen maar daarbij was, gelet op de veranderde taken

bestaande uit militaire politietaken en grensbewaking, voor Boxmeer geen plaats. Na de oorlog bleef

de voormalige marechausseekazerne tot 1978 in gebruik als Rijkspolitiebureau en de woningen

werden bewoond door Rijkspolitiegezinnen. Na de oorlog bleef de voormalige marechausseekazerne

tot 1978 in gebruik als Rijkspolitiebureau en de woningen werden bewoond door

Rijkspolitiegezinnen.

Nadien werden de nrs 57 en 59 kort na elkaar eigendom van Marius Klomp die op nr 57 zijn

verzekerings- en hypotheekadvieskantoor vestigde en op nr 59 ging wonen. Vervolgens werd de Heer

Klomp ook eigenaar van de nrs 61 en 63 en verhuisde hij zijn kantoor van nr 57 naar de huisnummers

61 en 63.

De heer Klomp verkocht jaren later nrs 61 en 63 (waaronder het voormalig marechausseebureau en

de paardenstalling aan T. Hendrix van Hendrix Genetics die met name de paardenstal met

voedertroggen voor 8 paarden en muurringen in stand liet en renoveerde. Op Spoorstraat 61 werd

boven de voordeur in 2021 het wapenschild, dat op de zolder gevonden werd, herplaatst en onthuld

​in het bijzijn van de familie Hendrix.

Op deze manier is de herinnering aan de Marechaussee in Boxmeer door de historische interesse van

de Heer Hendrix levend gebleven.